zaterdag, juni 16, 2012

De windows

Op de hoek van de straat
staat een pornowinkel
gooi er 's een baksteen door
dan is het uit

rinkel, rinkel, rinkel
(Heksennacht '82)
rinkel, rinkel, rinkel





Peter De Waele speurt al 15 jaar naar pedofielen
‘Ik heb een heel mooie job. Ik red kinderen’
Tertio



Pedofielen laken verantwoordelijkheidszin. Een goede en warme opvoeding beschermt kinderen het best tegen seksueel misbruik. Jeugdbegeleiders zouden ook het best worden verplicht het attest te tonen waaruit blijkt dat ze geen zedenfeiten hebben gepleegd. Het zijn inzichten van Peter De Waele, het hoofd van de cel pedofilie van de gerechtelijke politie in Brussel.
Boudewijn Vanpeteghem | Naar aanleiding van twee jaar ‘Operatie Kelk’ later deze maand, zocht Tertio Peter De Waele op. Niet om hem te vragen naar het onderzoek over kindermisbruik in de kerk. Daar kan hij als betrokken dossierbeheerder niets over kwijt. Wel om te luisteren naar zijn inzichten over pedofilie. Hij schreef eind vorig jaar het boek Kan je een geheim bewaren? over kindermisbruik. Die vraag stellen pedofielen kinderen het meest op het internet om hen ‘veilig’ te kunnen benaderen. Nadien volgt:‘Waar staat je pc?’ en op de derde plaats: “Wie gebruikt je pc?’ De Waele geeft toe dat hij ‘bedrijfsgeheimen’ heeft prijsgegeven – zoals empathie tonen voor de pedofiel om verklaringen los te weken. Zijn boek is het vertrekpunt van het gesprek.

Pedofilie als een ziekte beschouwen, spreken over een onweerstaanbare drang of aangeven zelf slachtoffer te zijn geweest van kindermisbruik, zijn voor u allerminst verschoningsgronden voor pedofiel gedrag. U hamert op verantwoordelijkheid.
“Vooral het ontbreken van verantwoordelijkheidszin leidt tot het misbruiken van minderjarigen. Gevoelens hebben voor kinderen doet je de controle over je handen en geslachtsdelen niet verliezen. Vergelijk het met iemand die een alcoholprobleem heeft. Diens hand grijpt ook niet automatisch een pint vast. Zelf slachtoffer geweest zijn van seksueel misbruik kan nooit rechtvaardigen wat een pedofiel doet. Dadercentra maken werk van die verantwoordelijkheidszin en zetten pedofielen aan zich te buigen over wat ze zichzelf en vooral hun slachtoffers aandoen.”

U legt ook de klemtoon op de rol en de verantwoordelijkheid van de ouders.
“We leven in een maatschappij waar ouders de kameraad van hun kinderen willen zijn en de opvoeding overlaten aan het onderwijs. Terwijl dat een aanvulling dient te zijn op hun opvoedingswerk. Kinderen normen en waarden bijbrengen, vervreemdt hen niet van hun ouders. Het tegendeel is waar. Het valt me ook op dat het kind zijn steeds jonger tot een einde komt. Het is toch ongelooflijk dat de Britten een wet goedkeurden die het verkopen van tangaslips verbiedt aan jongeren onder een bepaalde leeftijd. Stel u voor: een wet omdat volwassenen zelf dat gezond verstand niet hebben.”

Kinderen, kinderen laten zijn.
“Ik ben geen conservatief, maar ik stel toch grote vragen bij 10-jarigen die voor hun verjaardagsfeest met vriendinnetjes naar een beautyfarm gaan en er zich laten optutten en masseren. Kinderen van acht horen niet naar Code37 (een misdaadserie op de televisie, nvdr) te kijken. En kinderen als volwassenen kleden, moet dat echt? Opgelet, ik zeg hier allerminst dat 12-jarige meisjes met een kort rokje, schoenen met hakjes en – houdt u vast – een beha waar watten in zitten om borstjes na te bootsen, mee verantwoordelijk zijn als ze het slachtoffer worden van seksueel misbruik. Ook ouders zijn dat niet. De enige verantwoordelijke is de pedofiel.”

Voor u beschermt een goede en warme opvoeding kinderen het best tegen pedofilie.
“Die opvoeding houdt ruimte in om over seksualiteit te praten. Het is geen goed idee de televisie uit te zetten of van zender te veranderen wanneer er een blote borst op het scherm verschijnt. Praat erover. Net zoals wanneer kinderen naar blote borsten op het internet kijken. Weet u, pubers van vroeger en nu zijn niet verschillend; alleen hebben ze vandaag veel meer mogelijkheden in hun zoektocht naar de eigen identiteit en de daarbij behorende seksuele nieuwsgierigheid. Hoe kan je van je kinderen verwachten dat ze over een eventuele onaangename seksuele ervaring praten als er in het gezin geen ruimte is om dat over neutrale seksuele onderwerpen te doen.”

U schenkt veel aandacht aan het internet. Controle door de ouders vindt u zeer aangewezen.
“Laat me vooreerst beklemtonen dat het internet niet vol pedofielen zit die op jacht gaan naar kinderen. Ik kan het niet genoeg benadrukken: het internet is een fantastisch medium en we moeten er onze kinderen zeker en vast toegang toe geven. Maar stel u voor: er vallen op een dag twintig brieven in de bus, allemaal voor de 11-jarige dochter en de afzenders zijn allen mannen die je van haar of pluimen kent. Of dochterlief geeft vijftig te posten brieven mee, alle gericht aan mannen die voor de ouders onbekenden zijn. Die zullen daar zeker uitleg over willen. Hetzelfde gebeurt via het internet maar daarover stellen ouders geen enkele vraag.”

Hoe kan een ouder daar controle op uitoefenen?
“Heel open. Ik ben niet zo voor softwareprogramma’s waardoor bijvoorbeeld alles wat een kind typt automatisch in de mailbox van de ouders terechtkomt. Geen enkele filter kan de ouderlijke controle vervangen. Ouders mogen zich overigens niet afzijdig houden omdat hun surfende zoon of dochter van tien zegt: ‘Heb toch vertrouwen in mij.’ Ze doen dat ook niet bij zaken waarvan ze denken dat hun kind er nog niet klaar voor is. Voorts sussen ze zich best niet met: ‘Mijn kind vertelt me alles’, want welke puber doet dat?”

“Ouders doen er goed aan hun kind te vertellen dat ze vertrouwen hebben en dat ze niet permanent zullen controleren wat het op het internet doet, maar dat ze die controlemogelijkheid wel hebben. Veel gebeurt uit onwetendheid bij de ouders over het internet. Daarom is het nuttig dat ze zelf een Facebookprofiel aanmaken of blogs lezen. Je kind begeleiden in het verkeer kan je toch ook pas goed wanneer je zelf de verkeersregels kent.”

Volgens u wil iedereen preventie, maar blijkbaar niet wanneer zelf inspanningen moeten worden gedaan.
“Ik vertelde ooit op een preventieavond dat de Britten trainers verbieden de spelertjes ’s avonds terug naar huis te brengen. Een vader vond dit een overdreven reactie. Bleek dat dit uitgerekend met diens kinderen gebeurde en hij zelf niet wou rijden omdat zijn biljartavond daardoor verstoord zou zijn.”

De Britten riepen Childsafe in het leven, een kwaliteitslabel tegen pedofilie. Clubs die zich aan preventieve regels houden, krijgen dat. U bent daar een grote voorstander van, maar clubs in ons land willen er niet van weten.
“Childsafe laat dat vervoer door de trainer bijvoorbeeld niet toe en hij mag geen enkele seksuele allusie maken. Ook niet bij wijze van grap, want pedofielen maken grapjes om te zien hoe een kind seksueel geëvolueerd is. Wij hebben een model B van het bewijs van goed zedelijk gedrag. Dat vermeldt de seksuele misdrijven die nooit worden geschrapt. Mij lijkt het logisch dat wie met kinderen werkt dat model B moet kunnen voorleggen, maar clubs vinden dat de verplichting de volwassene tot slachtoffer maakt en de indruk geeft dat er bij hen iets misloopt.”

“Onbegrijpelijk, want de werkwijze scheidt uitgerekend het kaf van het koren en dat komt jongerenbegeleiders, voor wie ik een groot en steeds groeiend respect heb, ten goede. Het is toch droevig dat een trainer een spelertje dat net een goal heeft gemaakt niet meer durft te knuffelen of dat hij zich afvraagt al dan niet de kinderdouches te kunnen binnengaan. In zo’n samenleving wil ik niet leven. Ouders en jeugdbegeleiders moeten veel meer lichamelijk contact hebben met de kinderen. Ouders knuffelen hun kroost te weinig. We dienen goed op te letten dat we niet in paranoia vervallen. Elke geestelijke lijkt bijvoorbeeld bijna een potentiële pedofiel geworden. Dat moet voor hen die hun taak voorbeeldig uitvoeren toch verschrikkelijk zijn.”

Pedofilie in de kerk is grondig aangepakt en het instituut zelf is na lang talmen akkoord gegaan met het betalen van een schadevergoeding, ook aan slachtoffers van juridisch verjaarde feiten. Volgen andere geledingen van de maatschappij – sportclubs, jeugdverenigingen, onderwijs enzovoort – dat voorbeeld?
“Ook vertegenwoordigers van clubs minimaliseren kindermisbruik. Terwijl een Nederlandse studie het tegendeel aangeeft. Ik ga ervan uit dat onze cijfers niet zoveel zullen verschillen van de Nederlandse. De Universiteit Antwerpen is gegevens aan het verzamelen in opdracht van Vlaams minister van Sport Philippe Muyters (N-VA).”

Zouden we Childsafe niet moeten verplichten?
“Wie niet wil meestappen, krijgt dat inderdaad best opgelegd. Maar dat is wel de laatste mogelijkheid. Het is veel beter dat ze zelf die beslissing nemen. En allemaal terzelfder tijd zodat ze samen hun nek uitsteken.”

U schrijft dat daders een tweede kans verdienen, maar ook dat ze niet vervroegd willen vrijkomen om nadien ongecontroleerd te kunnen voortleven. Kan er dan sprake zijn van een nieuwe kans, van vergiffenis?
“Let op, er zijn er die tot inkeer komen en zelf controle vragen. Ik ben er voorstander van wijkagenten op geregelde tijdstippen pedofielen discreet te laten controleren na hun gevangenisstraf. De frequentie van die controles hangt dan onder meer af van de inschatting van het risico tot herval. Het vinden van een beter democratisch evenwicht tussen herintegratie en bescherming van de kinderen is een heel moeilijke klus. Systemen waarbij burgers de pedofielen observeren, geven een vals gevoel van veiligheid. Overigens, de gevaarlijkste pedofiel is deze die we niet weten zitten. Moet een alleenstaande vrouw met vier jonge zonen op de hoogte worden gebracht als ze een pedofiel in huis haalt? De wetgeving laat het niet toe, maar er bestaat een nieuwe trend van pedofielen die datingsites afsurfen op zoek naar alleenstaande vrouwen met veel kinderen. Die vinden het moeilijkste een nieuwe partner en kindermisbruikers maken daar misbruik van om zich een toegang tot de kinderen te verschaffen.”

In uw boek staat er een brief waarin u pedofielen oproept zich aan te geven. Weet u of er een van hen dat al heeft gedaan?
“Neen, maar het dadercentrum in Brussel ontvangt meer telefoontjes van mensen die een pedofilietest willen afleggen. Al weet ik niet of ik die pluim op mijn hoed mag steken. Velen vinden mijn brief naïef, maar één pedofiel zover krijgen, zou al heel erg de moeite waard zijn. Een kindermisbruiker heeft gemiddeld tachtig tot honderd feiten gepleegd vooraleer justitie hem oppakt. Elk misbruik voorkomen, is de moeite waard, toch?”

Moeten er strengere straffen komen voor pedofielen?
“We vragen de rechtbanken naar de straffen die pedofielen krijgen naar aanleiding van onze onderzoeken en we leren eruit dat het de twee kanten opgaat. Soms schrikken we ook van de zware straffen. Ik geloof dat straffen alleen onze wereld niet kindveiliger maakt. Daarom pleit ik evengoed voor gepaste therapie.”

U doet dit werk al vijftien jaar en schrijft: “Ik leer leven met mijn handicap, mijn beroepsziekte, met een hoofd vol kinderporno.” Hoe doet u dat?
“De hele ploeg denkt redelijk te kunnen plaatsen wat we doen. De toekomst zal uitwijzen of het zo is. Kinderporno bekijken we heel gericht en technisch: kunnen we iets afleiden uit de schakelaar in de muur of het colablikje dat in beeld komt. De fatale combinatie is wanneer je je niet goed in je vel voelt en je bijvoorbeeld een kind moet verhoren. Mijn moeder zegt me soms: ‘Sinds je die job doet, relativeer je bijna alles.’ Ik moet toegeven dat het klopt.”

Niemand moet u komen vertellen dat de mens van nature goed is, want daar gelooft u niet in. Zou het kunnen dat u door uw werk een verwrongen mensbeeld heeft?
“Ik ben een ongelooflijke optimist. De gerechtelijke politie telt zevenhonderd leden en in geen enkele dienst wordt zoveel gelachen als in mijn ploeg. We dienen ons dagelijks een fles humorserum toe.”

Als tegengif?
“Ja. Mijn wereldbeeld is niet slecht, maar toch iets donkerder dan dat van anderen. Wel heb je het even gehad met het mooie mensbeeld wanneer je een dikke Duitser van meer dan honderd kilo een Thais meisje van vier ziet misbruiken.”

U stelt uzelf de vragen: “Is het normaal dat ik dit aankan? Hoor ik niet in een instelling te zitten?” Geeft uzelf eens het antwoord.
“Het is toch normaal dat ik me dat afvraag wanneer iedereen me vraagt hoe ik dit kan volhouden. Ja, hoe doe ik dat? Buiten mijn werk heb ik nog zoveel activiteiten. Ik heb een sociaal vangnet van kameraden met wie ik veel plezier maak. Er zijn de cultuur, het lezen, de fotografie. Mensen die deel willen uitmaken van mijn ploeg, komen er niet in wanneer ze me vertellen dat hun werk hun leven is of wanneer hun motivatie voortkomt uit het feit dat ze als kind seksueel zijn misbruikt.”

U bent uitgeput wanneer u een dag naar kinderporno hebt moeten kijken.
“Maar dat doen we niet alle dagen en wanneer het ons niet afgaat, hebben we de vrijheid geen beelden te bekijken. Ik doorgrond heel graag verdachten van pedofilie en wanneer we een trainer, jeugdbegeleider, priester of leraar kunnen stoppen, besparen we veel leed. Ik heb een heel mooie job. Ik red kinderen.”
Peter De Waele, Kan je een geheim bewaren?, Van Halewyck, Leuven, 216 blz., € 18,50. Bestellen kan via www.tertio.be

Geen opmerkingen: